Niet alles wat we ooit bouwen, maken of neerzetten is bestemd voor de eeuwigheid. Bij de opening van een nieuw gebouw wordt dat vaak wel gezegd (tussen de regels door), maar in de praktijk blijkt het tegendeel. Immers, zou dat waar zijn, dan zou er nooit iets gesloopt worden. En dat gebeurt wel, vaak genoeg. Oude bedrijfspanden, flats uit de jaren zeventig en losse woningen van nog langer gelezen: er wordt van alles met de grond gelijk gemaakt.

Dat gegeven heeft echter ook een positieve kant: door dingen te slopen wordt er ruimte gecreëerd voor nieuwe dingen. Jongere architecten en bouwlui hebben op deze manier dus ook nog ruimte om hun voetafdruk op de wereld achter te laten. En slopers hebben wat te doen! Het slopen van een gebouw is namelijk vakwerk. Hoewel het simpel lijkt, is het een klus die zich qua moeilijkheid kan meten met de bouw ervan. Het neerhalen van een gebouw op zich is nog niet eens zo lastig, maar dat te doen zonder de omgeving te beschadigen is een stuk pittiger.

Daarom worden per gebouw sloopplannen gemaakt. Een slopersbedrijf bekijkt elke situatie opnieuw en kiest vervolgens een plan van aanpak. Bij grote klussen in het open veld wordt er nog wel ‘ns iets opgeblazen, maar in een bewoonde omgeving is dat er niet bij. Bovendien moeten alle resten gescheiden worden: wanneer je met springstof aan de gang gaat kun je achteraf heel veel uitzoeken. Als er gebruik wordt gemaakt van een kraan (bijvoorbeeld zo’n type dat is uitgerust met een vogelbek-schaar) is daar geen sprake van. De kraan neemt heel gerichte en precieze happen en gooit het materiaal op verschillende hopen. Bovendien is het risico dat er iets naar beneden valt op deze manier vrij klein. Uitkijken moet altijd, maar de kans dat ineens een hele flat omlazert is miniem.