Zink behoort, scheikundig gezien, tot de zogenaamde overgangsmetalen. Dit wil zeggen dat het maar weinig voorkomt op aarde. Het is een blauw/wit kleurig metaal dat al eeuwen wordt gebruikt. Toch werd zink pas in 1746 door de Duitse Andreas Marggraf min of meer ontdekt en voorzien van zijn huidige naam: zink.

Tegenwoordig wordt zink in allerlei sectoren gebruikt. Dit kan variëren van de verfindustrie tot de geneeskunde. Maar ook al enige tijd is zink bekend als het metaal waarvan dakgoten werden en worden gemaakt. Zink is immers een metaal dat relatief stabiel is aan de lucht. Het heeft zogezegd minder last van de weersinvloeden dan menig ander metaal. Bovendien is zink bij een vrij lage temperatuur te smelten en daarna in de gewenste vorm te gieten.

Toch is het gebruik van zink voor de vervaardiging van dakgoten niet helemaal perfect. Er ontstaan namelijk naden in de dakgoten waardoor er water zou kunnen gaan lekken. Doordat zink een tamelijk zacht metaal is kan het gemakkelijk kromtrekken of buigt het bij erg lage uitoefening van kracht. Bovendien kan zink erg warm worden wanneer er gedurende een langere tijd de warme zon op schijnt. Men kan dan beter het zink niet aanraken

Een voordeel van een zinken dakgoot is echter dat het metaal erg slijtvast is en daardoor wel veertig tot vijftig jaar dienst kan blijven doen. Men dient alleen zo nu en dan de dakgoten te controleren op lekkages. Wanneer er lekken geconstateerd worden dienen ze uiteraard wel goed gedicht te worden.