De legering van koolstof, ijzer, silicium en mangaan die men in vormen heeft gegoten wordt gietijzer genoemd. Men kan gietijzer vervaardigen door ijzer samen met kalk en cokes om te smelten. In de meeste gevallen gebeurt dit in een koepeloven maar het is ook mogelijk om dit in een trommeloven of inductieoven te doen.

De vorm die wordt gebruikt voor het gieten van het gietijzer bestaat uit kleigebonden vormzand danwel chemisch gevormd vormzand. Wanneer men gietgewichten tot ongeveer 350 kilogram maakt dan gebruikt men kleigebonden zand. Dit wordt ook wel groen zand genoemd. Chemisch gebonden vormzand gebruikt men vooral bij grotere gietgewichten. Bij het gieten van extreem grote, en vaak zijn dat eenmalige, gietstukken bestaat zelfs de mogelijkheid om een, in de grond gemetseld, gat te gebruiken om het vloeibare metaal vervolgens in te gieten.

Hoewel gietijzer wel goed op druk te belasten is heeft het een minder grote trekkracht in vergelijking tot niet gelegeerde soorten gietijzers. Elementen in een constructie die op trek worden belast kan men beter gebruik maken van smeedijzer. Voor het bereiken van erg hoge treksterktes kan men enkele elementen van de legering zoals bijvoorbeeld silicium, nikkel of molybdeen aan de smelt (dit is de vloeibare massa materiaal waaruit men door stolling het gietijzer wil doen ontstaan) toevoegen. Maar de mechanische eigenschappen van gietijzer kunnen ook worden beïnvloed door het geven van een warmtebehandeling. Na het lassen van gebroken gietijzer worden de spanningen die zijn ontstaan door middel van een warmtebehandeling uit het gerepareerde gietijzer verwijderd.